De overlevingscijfers na 10 jaar bij chronische lymfatische leukemie/kleincellig b-cellymfoom op basis van voorlopige cijfers uit 2024 zijn hieronder samengevat:
Let op: dit zijn gemiddelde cijfers voor alle mensen met deze soort kanker. Jouw vooruitzichten kunnen anders zijn dan het gemiddelde. Bespreek dit met de arts.
NB: Voorlopige en definitieve cijfers
Hoe vaak deze kankersoort voorkomt, is op basis van voorlopige cijfers uit 2024. De definitieve cijfers van 2024 kunnen nog wat anders worden. Dat geldt ook voor de man-vrouwverhouding en leeftijdsverdeling. De overlevingscijfers en overleving per stadium (indien beschikbaar) zijn op basis van de jaren daarvoor. Deze cijfers zijn al definitief.
De overleving in de periode van 10 jaar na de diagnose in cijfers en schematische weergave:
Datavisualisatie: Overleving per jaar vanaf diagnose, Relatieve overleving, Chronische lymfatische leukemie
De leeftijd waarop de diagnose wordt gesteld is eveneens van belang voor de overlevingskans. Ook deze worden hieronder in cijfers en schematisch weergegeven:
Datavisualisatie: Overleving per jaar vanaf diagnose, Relatieve overleving, Chronische lymfatische leukemie
Tenslotte heeft het geslacht ook invloed op de overlevingskans zoals hieronder in cijfers en schematisch te zien is:
Datavisualisatie: Overleving per jaar vanaf diagnose, Relatieve overleving, Chronische lymfatische leukemie
De overleving van patiënten met Chronische Lymfatische Leukemie blijft stijgen. Dat blijkt ook uit een onderzoek van Lina van der Straten (IKNL & Albert Schweitzer Ziekenhuis en collega’s met data uit de Nederlandse Kankerregistratie (NKR). De relatieve overleving van CLL-patiënten vertoont volgens het onderzoek een opgaande lijn.
In totaal werden, in het onderzoek van Lina van der Straten, de gegevens van 20.468 patiënten met chronische lymfatische leukemie geïncludeerd. De mediane leeftijd was 69 jaar (bereik 21 – 101 jaar) en 61% was man. De algehele leeftijdgestandaardiseerde incidentie nam in de loop van de tijd geleidelijk toe, maar bleef betrekkelijk stabiel vanaf 2003. Over de gehele studieperiode was het aandeel mannelijke patiënten consistent en dominant aanwezig. De leeftijdspecifieke incidentie nam sterk toe op hogere leeftijd. Bij patiënten in alle leeftijdsgroepen was een voortgaande oversterfte zichtbaar ten opzichte van de algemene bevolking gedurende alle studieperioden.
Bronnen