Waar treden bij CLL-patiënten defecten op en wat kunnen we daaraan doen?
Bij CLL-patiënten kan de werking van de B- en de T-cellen verminderd zijn. Waarom dat bij de ene patiënt wel gebeurt en bij de ander niet, is nog niet helemaal duidelijk. Zo kunnen de lymfocyten ook al bij nooit voor CLL behandelde CLL-patiënten minder werken, terwijl dit bij de verschillende mogelijkheden tot behandeling ook tussen patiënten kan verschillen, zowel qua mate van verminderde lymfocytfunctie als qua duur. Juist bij deze afweercellen zit de problematiek met betrekking tot COVID 19 en het niet opbouwen van antistoffen. Hierdoor ontstaan bij CLL-patiënten ook vaker infecties die langdurig aanhouden. Voor het oplossen van “reguliere” infecties kan in eerste instantie antibiotica worden toegediend. Als infecties te lang duren en te vaak voorkomen, kan worden overgestapt op het structureel toedienen van antistoffen zoals nanogam. Dit zal in het geval van reguliere infecties een aanzienlijke verbetering geven. Bij CLL-patiënten die COVID19 hebben ontwikkeld, is inmiddels gebleken dat het toedienen van Regeneron (een monoklonale antistof tegen COVID-19) de overlevingskansen vergroot.
Als we kijken naar mijn val van de fiets en mijn open elleboog is mijn tweede linie dus nog intact. De granulocyten hebben de ‘indringers’ verjaagd en met behulp van deze granulocyten zijn de wonden mooi genezen. De hematoloog geeft aan dat ook bij patiënten die gewond zijn en bij wie het aantal granulocyten tijdelijk is verminderd (bijvoorbeeld als gevolg van een behandeling), de wonden weer snel genezen als de granulocyten na de behandeling weer terugkeren. Dergelijke kwetsuren zijn dus van een andere orde dan de problemen die optreden na het binnendringen van virussen.
De eerste linie wordt eigenlijk niet door CLL of welke CLL-behandeling dan ook aangetast. De 2e linie kan bij behandeling met chemotherapie per kuur 5 tot 7 dagen tijdelijk verzwakt zijn.